Afscheid van Ludo Helsen als gedeputeerdeAl wie even stilstaat bij het hoofdstuk dat Europa de voorbije vijftig jaren geschreven heeft, kan niet anders dan onder de indruk zijn. Uit de brokstukken van een verwoestende oorlog, met landen en politieke visies die lijnrecht tegenover elkaar stonden, zijn de grondleggers erin geslaagd een nieuwe orde te creëren. Ze zijn erin geslaagd de fundamenten te leggen voor een Europa waar er politieke stabiliteit heerst, waar er economisch intensief samengewerkt wordt en waar voormalige aartsvijanden zich met elkaar verzoend hebben, een succesvol proces, dat tot vrede en welvaart heeft geleid in een groot deel van Europa. Dat deze nieuwe balans er niet zomaar gekomen is, spreekt voor zich. In sommige periodes werd er grote vooruitgang geboekt, andere keren ging het allemaal wat langzamer. Maar vooruitgang was er altijd. Of om het met de woorden van de Nederlandse auteur Geert Mak te zeggen: “Het Europees project is uniek. Het is geen imperium, het is geen federatie, het is iets totaal eigenzinnigs ... Het zal nog veel tijd nodig hebben. Bij dit soort integratieprocessen moet men niet denken in jaren, maar in generaties. Maar het is allerminst hopeloos.'' En ik voeg daar graag aan toe: Het is een fascinerende reis, een boeiende ervaring, een prachtige uitdaging. En dat heb ik de voorbije jaren van nabij kunnen ondervinden, als gedeputeerde voor Europese en internationale samenwerking.
Zo zorgden in de periode 2000-2006 vier Europese programma’s voor financiële impulsen in onze provincie, die daardoor een aanzienlijke sprong voorwaarts maakte. Voor de provincie was er een belangrijke rol weggelegd in de uitvoering van deze programma’s en de begeleiding van verschillende projectpromotoren. Hierbij werkten we nauw samen met tal van partners: de Europese Commissie, de Vlaamse overheid, andere provincies, de betrokken gemeenten en de vele promotoren die de verschillende projecten uitvoerden. Op vraag van de Vlaamse overheid nam het provinciebestuur van Antwerpen voor de periode 2000-2006 bovendien de taak op zich om het Europese doelstelling-2-programma in de Kempen uit te voeren en te coördineren. Mede dankzij de Europese steun is de Kempen de aangename regio kunnen worden die ze nu is. Via verschillende programma’s heeft Europa heel wat middelen ingezet om talrijke projecten te realiseren die aan ieders leefwereld raken. Ik zie bijvoorbeeld de bouw van bedrijvenzone de Basis op Kamp C in Westerlo, het stimuleren van ondernemerschap door industriële en diensten spin-offs bij Innotek in Geel, de bouw van een opleidingscentrum voor VDAB in Herentals, tal van projecten voor werkzoekenden die niet onmiddellijk terechtkunnen op de arbeidsmarkt, de renovatie en uitbreiding van het Zilvermeer in Mol, een ontmoetingscentrum in Winkelomheide, de aanleg van verschillende fiets- en wandelpaden … Deze greep uit de projecten laat duidelijk zien dat Europa wel degelijk een aanzienlijke meerwaarde betekent voor de Kempen.
Ook in de daaropvolgende periode –de huidige programmaperiode- doen we opnieuw maximaal beroep op Europese middelen om de Kempense regio –en ook de rest van de provincie- nog verder uit te bouwen en een brede waaier van projecten op te zetten. Dat er sinds 2007 structurele wijzigingen werden aangebracht in de Europese programma’s, waarbij een gebiedsgerichte werking vervangen werd door een thematische aanpak, is een goede zaak. Dit houdt immers in dat zo het hele grondgebied van de provincie in aanmerking komt voor Europese projecten.
Opnieuw zijn we erin geslaagd heel wat Europese investeringen aan te trekken, dankzij onze provinciale expertise inzake Europese structuurfondsen, dankzij heel wat enthousiaste projectondernemers en uiteraard dankzij Europa. Het gaat dan om investeringen in infrastructuur, in waardevolle projecten, kortom, investeringen die zorgen voor jobcreatie en tewerkstelling. Ik denk dan aan de modernisering van AMIVAL te Turnhout waar er mindervaliden aan de slag kunnen; de ombouw van de Lt. Coppenskazerne in Brasschaat tot bedrijvencentrum; projecten rond tewerkstelling en ruimtelijke planning bij glastuinbouw; de opstart van een provinciaal platform voor hoeve- en streekproducten, een erfgoedhuis in Tielen, een regionaal lascentrum in Mechelen, de sociale economiecampus Spiegelfabriek in Herentals, thematische en grensoverschrijdende fietsroutes, de heroriëntering en herinrichting van verschillende Antwerpse wijken … De lijst is lang, de resultaten zijn indrukwekkend. En de programmaperiode is nog niet eens afgelopen. Samen met het provinciebestuur en samen met onze projectpromotoren heb ik mij de voorbije jaren ingezet om een belangrijke stimulans te leveren aan de ontwikkeling van deze regio. Want het creëren van een meerwaarde voor de buurt, maar ook voor de hele regio is hetgeen we beogen met al deze Europese projecten. Voortdurend en met vele partners hebben we werk gemaakt van een sterk programma, en zijn we op zoek gegaan naar projecten op onze besluitvormingstafel die “ertoe doen”, die nadat ze opgestart zijn nog steeds het verschil maken. Samen met mijn collega’s uit de deputatie en de provincieraad hebben we de voorbije jaren bovendien een provinciaal cofinancieringsfonds uitgebouwd, en zorgen we er met dat fonds voor dat Europese projecten die uitgevoerd worden in onze provincie een duwtje in de rug kunnen krijgen, en dat waardevolle projecten die niet zelf alle middelen bijeen krijgen, toch gerealiseerd kunnen worden. Hiervoor wordt er jaarlijks een budget van zo’n 850 000 euro vrijgemaakt. Als ik hier zo de balans opmaak van al die projecten die de voorbije jaren het levenslicht zagen, dan is dat aan de steun en inzet van vele personen en instanties te danken. In dit hele verhaal kan ik niet voldoende benadrukken wat voor belangrijke rol de projectpromotoren hierin vervullen. Als overheid kun je zoveel beleidsplannen en beleidscyclussen uittekenen als je wil, zonder de actoren op het terrein die een project willen opstarten, kom je nergens. En ik vergeet daarbij zeker ook niet onze eigen medewerkers, ons team van Europa-experten die een belangrijke ondersteunende rol vervullen voor de promotoren. Ik ben ervan overtuigd dat ook zij in de toekomst opnieuw meer dan hun best zullen doen om de vele projecten in goede banen te leiden. Winston Churchill verkondigde eens volgende duidelijke boodschap: “Het heeft geen zin te zeggen ‘Wij doen ons best.’ Je moet erin slagen te doen wat nodig is.” Ik denk dat al onze Europese projecten bewijzen dat we doen wat nodig is, namenlijk een belangrijke stimulans leveren aan de ontwikkeling van onze provincie. Mijn oprechte dank gaat dan ook uit naar de vele projectpromotoren uit vzw’s, organisaties, bedrijven, gemeenten en onze eigen provinciale diensten die de voorbije jaren hun schouders hebben gezet onder deze Europese middelen om zo onze provincie nog aantrekkelijker te maken.
|