- Home
- Leefomgeving
- Natuur en landschap
- Eikenprocessierupsen
- Geschiedenis
Korte geschiedenis van de eikenprocessierups
Eind jaren ’80 werd de eikenprocessierups door een aantal entomologen aangetroffen in het zuiden van Nederland en het noorden van België. Omwille van de kleine aantallen na 100 jaar afwezigheid, werd de rups als een zeldzaamheid beschouwd. Begin jaren ’90 veroorzaken de brandharen van de eikenprocessierups overlast onder de bevolking. De eerste meldingen komen toe op het Provinciaal Instituut voor Hygiëne (PIH).
Onvoldoende natuurlijke vijanden voor de rups.
Bij gebrek aan voldoende natuurlijke vijanden en door het zeer geschikte biotoop in onze streken worden de rupsenaantallen al snel zeer groot. Piekaantallen worden in 1995 en 1996 bereikt.
De gezondheidsproblemen die deze rups met zich mee brengt, komen in 1996 ruim in de belangstelling wanneer de Ronde van Frankrijk doorheen Nederland en Vlaanderen trekt. Veel wielrenners staan na een dag fietsen immers vol met een fel jeukende uitslag. Dit was mee het startsein om de eikenprocessierups te bestrijden.
De regiowerking van het PIH kreeg tal van telefoontjes met de vraag hoe rupsen te behandelen. Daar vele gemeenten naar klassieke bestrijdingsmiddelen grijpen die niet echt helpen en slecht zijn voor het omringende milieu, besluit het provinciebestuur in 1996 om de aanpak van rupsen te coördineren en te ondersteunen. Vier grote pijlers zijn in deze aanpak te onderscheiden:
- Eigen preventieve bladbespuitingen (tot ’97).
- Monitoring om de bestrijding door derden te sturen.
- Verstrekken van voorlichting en advies.
- Telefonische helpdesk.
Dat de eikenprocessierups als een daadwerkelijk probleem wordt beschouwd, mag blijken uit de steun die Europa verleent in het kader van een Interreg-project in 1997 (samen met Noord-Brabant en Limburg). Deze campagne richt zich vooral op voorlichting en bijsturen van bestrijding (zuigen en branden).
Om de bestrijding te sturen in Antwerpen wordt vanaf 1997 een permanent monitoringssysteem opgezet door het PIH: vanaf het eerste larvaal stadium worden de rupsen opgevolgd. Daar de meeste bestrijdingstechnieken gebonden zijn aan een bepaald larvaal stadium, kunnen de gemeenten op die manier degelijk gestuurd worden.
Het PIH houdt al de gemeenten op hoogte door bij elk stadiumverandering van de rups een e-mail te verzenden. Deze bevat uitleg over het bepaalde stadium en de mogelijke bestrijdingstechnieken.
Vanaf 1997 beginnen de aantallen rupsen op provinciale schaal af te nemen, vermoedelijk als gevolg van de intensieve bestrijding. Plaatselijk blijven er echter grote haarden optreden.
