- Home
- Bestuur
- Kennismaking
- Geschiedenis
- 7de tot 14de eeuw
- 7de tot 14de eeuw
- 15de tot 18de eeuw
7de tot 14de eeuw
Vroeg-middeleeuwse oorsprong
De provincie Antwerpen kent haar oorsprong in de vroege middeleeuwen. Op het einde van de 7de eeuw werd het oude Romeinse Toxandrië - een gebied dat zich uitstrekte over het Antwerpse, de Antwerpse Kempen, een deel van Noord-Brabant en de Limburgse Kempen - onder het Karolingische vorstenhuis opgesplitst in verschillende gouwen (pagi). De pagus Renensium omvatte wat nu het Antwerpse is, de pagus Toxandrië situeerde zich in het oosten en het noorden.
Ontstaan Duitse Rijk
De belangrijkste Karolingische vorst, Karel de Grote, verenigde onder zijn scepter een rijk dat zich uitstrekte van de Atlantische Oceaan en de Noordzee tot de Elbe, de Midden-Donau, Midden-Italië en de Ebro. Na zijn dood werd het gebied in drie delen verdeeld (Verdrag van Verdun, 843):
- West-Francië, ten westen van de Schelde
- Lotharingen, tussen Schelde en Rijn
- Oost-Francië, ten oosten daarvan
Strategisch markgraafschap
De pagus Renensium, gelegen aan de westgrens van het Duitse Rijk, bekleedde een strategische positie tussen West-Francië (aan de overzijde van de Schelde) en het Duitse Rijk. Daarom werd in Antwerpen in de 10de eeuw een versterkt kasteel gebouwd als verdediging tegen de steeds machtiger wordende graven van Vlaanderen. De pagus kreeg hierdoor het speciale statuut van markgraafschap met een markgraaf aan het hoofd.
Afzonderlijke entiteit binnen Hertogdom Brabant
In 1106 werd de titel markgraafschap toegekend aan de graven van Leuven, die zich vanaf het midden van de 12de eeuw hertogen van Brabant noemden. Binnen het hertogdom Brabant bleef het markgraafschap Antwerpen een afzonderlijke entiteit. Het had een eigen plaats in de gecentraliseerde administratie. Deze werd Statenvergadering genoemd en was in 1356 afgedwongen met het beroemde charter ‘Blijde Inkomst’. Deze keure legde de verhouding tussen landheer en onderdanen vast en bepaalde dat een vertegenwoordiging van de drie standen (geestelijkheid, adel en burgerij) moest worden bijeengeroepen om over het financiële beleid van de vorst te stemmen.
